Hoogbegaafde uitvallers in het onderwijs – oorzaken en oplossingen

Hoogbegaafde uitvallers in het onderwijs – oorzaken en oplossingen

Aangezien er op scholen vaak nog (te) weinig aandacht is voor de specifieke behoeftes van hoogbegaafden, komen zij geregeld thuis te zitten. Omdat zij in het huidige onderwijs vaak niet op niveau worden aangesproken, lopen ze een groot risico om gedemotiveerd te raken, met gedragsproblemen en onderpresteren als gevolg (Doornekamp, Drent en Bronkhorst, 1999). Hoe kunnen we deze kinderen en jongeren laten floreren? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat zij genieten van hun leven en ontwikkeling?

Hier kan je lezen wat hoogbegaafdheid is en welke uitdagingen hoogbegaafdheid zoal met zich meebrengt. De volgende vraag is hoe we hoogbegaafde onderpresteerders – een specifieke groep binnen de groep van hoogbegaafden – kunnen herkennen.

Kenmerken van hoogbegaafde onderpresteerders

De volgende kenmerken hangen met elkaar samen en hoeven niet allemaal aanwezig te zijn om te spreken van een hoogbegaafde onderpresteerder:

‘Positieve’ kenmerken

  • Grote en uitzonderlijke kennis
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen hebben vaak kennis die nog niet in de groep is behandeld en een grote algemene ontwikkeling.
  • Grote interesse
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen hebben op veel gebieden belangstelling en ze houden ervan om dingen te onderzoeken, bijvoorbeeld door in hun vrije tijd veel te lezen of op een andere manier informatie te verzamelen. Als een onderwerp (dat vaak wat moeilijker is) hun interesse heeft, begrijpen en onthouden ze veel.
  • Positief thuiswerk
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen werken thuis vaak verder aan zelfgekozen schoolprojecten en ontwikkelen thuis op eigen initiatief allerlei activiteiten.
  • Grote verbeelding
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen hebben vaak een levendige, grote verbeelding en zijn creatief.

Negatieve’ kenmerken

  • Wisselend schoolwerk
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen laten vaak wisselend schoolwerk zien: afnemende prestaties, maar bij ingewikkelde vragen juist wel het goede antwoord weten, mondeling beter presteren dan schriftelijk en beter uit de verf komen bij individueel onderwijs op maat dan bij het regulier groepsonderwijs.
  • Afnemende schoolprestaties
    • Opvallend is dat de schoolprestaties van onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen afnemen; ze presteren (vooral in schriftelijk werk) beneden niveau, in elk geval beneden hun eigen niveau, maar soms zelf ook beneden groepsniveau. Vaak schrijven ze slordig, houden ze niet van instampen en inprenten, missen ze leerinhouden en instructiemomenten en zijn ze slechts selectief enthousiast: wel voor nieuwe onderwerpen, niet voor uitwerkingen.
  • Negatief gedrag
    • In de klas vertonen onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen vaak negatief gedrag; ze zijn lastig en onaangepast, vragen steeds om aandacht, vervelen zich, dromen weg en wijzen pogingen van de leraar om zich aan de groepsnormen te conformeren, af.
  • Haperende sociaal-emotionele ontwikkeling 
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen zijn vaak ontevreden over zichzelf en de verrichte werkzaamheden, vermijden nieuwe activiteiten uit angst voor mislukking, hebben minderwaardigheidsgevoelens, zijn wantrouwend of onverschillig en doen niet graag mee aan groepsactiviteiten, zijn minder populair bij leeftijdsgenootjes en zoeken vriendjes onder gelijkgestemden.
  • Geringe taakgerichtheid 
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen zijn vaak weinig taakgericht. Ze hebben een laag werktempo, hebben hun huiswerk vaak niet af, stellen zichzelf onrealistische doelen, zijn snel afgeleid, vergeetachtig en/of impulsief, hebben geen duidelijk leertraject voor ogen, hebben een korte spanningsboog, voelen zich hulpeloos, willen niet geholpen worden en willen zelfstandig zijn.
  • Negatieve houding
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen hebben vaak een wisselende motivatie, hebben een hekel aan routine, verzetten zich tegen autoriteit, nemen geen verantwoordelijkheid voor hun eigen daden en staan onverschillig of afwijzend tegenover de school.
  • Hoge mate van sensitiviteit
    • Onderpresterende (hoog)begaafde leerlingen geven vaak blijk van een enorme sensitiviteit: ten opzichte van zichzelf, maar ook van anderen. Dit maakt dat ze erg gevoelig kunnen zijn. Hoogbegaafde kinderen kijken met andere woorden met een vergrootglas naar de wereld. Ter illustratie: uit een experiment bleek dat een 8-jarig hoogbegaafd meisje 30 vragen en zorgen had over een aankomend schoolreisje; bij haar klasgenoten was er gemiddeld sprake van 3 à 4 vragen.

Oplossingsrichtingen

Als basisvoorwaarde zou het onderwijs tegemoet moeten komen aan de 3 psychologische basisbehoeftes van alle leerlingen:

Autonomie: ruimte om zelf te kiezen en verantwoordelijkheid te dragen (1)

Wanneer aan deze behoefte wordt voldaan, ervaren leerlingen
• ruimte om zelf (mede) te bepalen hoe ze iets aanpakken
• ruimte om hun ideeën te uiten
• dat er rekening wordt gehouden met hun gevoelens en
opvattingen
• dat ze regelmatig eigen keuzes mogen maken
• betrokkenheid bij belangrijke zaken in hun leef- en
leeromgeving

Competentie: vertrouwen en plezier in eigen kunnen (2)

Wanneer aan deze behoefte wordt voldaan, ervaren leerlingen
• dat ze interessante en nieuwe vaardigheden kunnen leren
• dat ze dingen die ze doen met succes tot een goed einde
brengen
• dat ze in hun leven veel mogelijkheden hebben om te
laten zien wat ze kunnen
• dat ze onbelemmerd en met inzet nieuwe taken aangaan
• zelfvertrouwen en waardering van anderen, thuis en op school

Relatie: je veilig, geaccepteerd en verbonden voelen (3)

Wanneer aan deze behoefte wordt voldaan, ervaren leerlingen
• verbinding met ‘peers’ en volwassenen in hun leer- en
leefomgeving
• dat anderen hen (willen) begrijpen
• dat anderen hen waarderen om wie ze zijn
• dat hun inbreng op prijs wordt gesteld en wordt verwacht
• dat met elkaar in gesprek gaan waardevol is


Psychologische basisbehoeftes van hoogbegaafde kinderen

Binnen de groep van hoogbegaafde kinderen is er nog de groep van uitzonderlijk hoogbegaafde kinderen. Zij hebben een enorme behoefte om te creëren, zelfstandig te werken en autonoom te bewegen binnen hun interessegebieden. Zij denken complex en zijn gevoelig in allerlei opzichten. De mismatch met het reguliere onderwijs is in dit geval extra duidelijk.

Het komt geregeld voor dat de uit deze eigenschap voortvloeiende gedragsproblemen worden gediagnosticeerd als ADHD (vanwege een grote beweeglijkheid) of autisme (vanwege grote gevoeligheden).

Wat kunnen we doen om tegemoet te komen aan de behoeftes van hoogbegaafde leerlingen?

Volgens Suzanne van Haaften zijn er twee toverwoorden als het gaat om goed onderwijs voor hoogbegaafde kinderen:

Menselijkheid (1)

Idealiter worden hoogbegaafde kinderen begeleid door hoogbegaafde volwassenen, aangezien zij de kinderen makkelijker kunnen begrijpen en aanvoelen. Dit is echter niet mogelijk, aangezien slechts ruim 2% van de bevolking hoogbegaafd is. Het is ook niet noodzakelijk.

Het gaat in de begeleiding volgens Suzanne vooral om menselijkheid. Kan de begeleider (leraar) het kind gelijkwaardig benaderen, als mens – en ruimte laten voor niet-weten? Mogelijk is het kind cognitief verder ontwikkeld dan de leraar, of denkt het kind op een andere wijze. De leraar heeft weer meer levenservaring. Beiden zijn slechts gegevens en we hoeven er geen waardeoordeel aan te verbinden.

Het hoogbegaafde kind voelt wanneer iemand oprecht zichzelf is. Het is fijn voor het kind wanneer er ruimte is voor zijn of haar aanpak en eventuele (cognitieve) voorsprong.

Maatwerk (2)

We kunnen het beste proberen aan te sluiten bij waar het kind zit in zijn ontwikkeling. Op een coachende, niet-autoritaire manier kan een leraar met het kind bewegen in zijn of haar ‘zone van naaste ontwikkeling’.

Afbeeldingsresultaat voor zone van naaste ontwikkeling

Daarbij is het erg belangrijk dat de leerhonger van het kind wordt gevoed. Maatwerk gaat over vertrouwen op de leerwijze en leerhonger van het kind. Suzanne: “Binnen maatwerk wordt lesstof top-down en abstract aangeboden en er wordt per deelgebied aangesloten op het kind. Er worden in overleg met het kind doelen gesteld, kind- en situatieafhankelijk, en hiermee valt vervolgens de noodzaak weg om te toetsen of cijfers te geven. Er is ruimte voor eigen onderzoek, en het is mogelijk om op verschillende plekken te leren. Waarom zou leren alleen in een schoolgebouw moeten plaatsvinden? Is een museum, een excursie, een bibliotheek of een stage niet minstens net zo leerzaam? Waarom zou een kind fulltime op school moeten zitten als hij daar misschien overprikkeld van raakt? Het leren gaat thuis gewoon door, leren hoeft natuurlijk niet gebonden te zijn aan schoolse vakken. Opdrachten worden aangeboden in de vorm van hogere-denkorde-opdrachten, waarin het kind zijn cognitieve kracht kan inzetten: hij kan creëren, evalueren en analyseren. Binnen dit soort opdrachten kan heel wat lesstof besloten zitten die een kind spelenderwijs opdoet door zelf onderzoek te doen.” Het kind, de ouders, de school en eventuele begeleiders zouden in harmonie samen moeten werken om dit te realiseren.

Maatwerk gaat ook over het ondersteunen van het kind bij het omgaan met hoogsensitiviteit en het ontwikkelen van psychosociale vaardigheden, gericht op het leren maken van fouten, moeite blijven doen wanneer iets moeilijk is en bijvoorbeeld perfectionisme.


Conclusie

Beantwoorden aan de behoeftes van hoogbegaafde kinderen en jongeren vraagt om onderwijsvernieuwing, menselijkheid en maatwerk.

Suzanne: “Onderwijsvernieuwing voor (uitzonderlijk) hoogbegaafde kinderen is een absolute must. Wanneer deze kinderen onbeschadigd kunnen opgroeien en hun potentieel volledig tot bloei kan komen, zijn zij met al hun geweldige capaciteiten in staat om positieve veranderingen in de wereld tot stand te brengen. Maar eigenlijk wens ik álle kinderen vernieuwend onderwijs toe, waarin ieder kind kan zijn wie hij is, wordt uitgedaagd op eigen niveau, mag werken aan eigen interesse, zonder dat dit wordt dichtgetimmerd door regeltjes, stramienen en toetsen. Onderwijs waarin plaats is voor vertrouwen in het kind en zijn groeikracht, hoogbegaafd of niet. En waarin leerkrachten de ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn en blij van worden, ieder op eigen niveau en naar eigen kunnen.”


Bronnen

2. (Uitzonderlijk) hoogbegaafde uitvallers in het onderwijs. Een pleidooi voor onderwijsvernieuwing. Suzanne van Haaften, gepubliceerd in Gifted magazine, editie maart 2019


Uit bron 2 citeer ik tot slot graag de volgende illustratieve case ‘ Freek; ik kan ook niks, ik moet maar dood’:

Freek (6) was als baby al extreem gevoelig. Hij reageerde op geluiden, stemmingen, voeding. Hij kon niet gedijen, huilde veel en sliep weinig en onregelmatig. Vanaf anderhalf ging hij naar een gastouder. Het duurde maanden voordat hij in staat was om daar twee hele dagen te zijn. De ouders van Freek hadden al het idee dat hij hoogbegaafd kon zijn, ook vanwege zijn twee oudere hb-zussen, en vroegen zich al snel af welke school voor hem geschikt zou kunnen zijn. Vanwege het gebrek aan hb-onderwijs voor jonge kinderen en vanwege zijn grote gevoeligheid kozen ze aanvankelijk voor de vrijeschool. Hij ging er vanaf zijn vierde jaar
twee ochtenden naartoe maar werd al snel om de haverklap ziek.
Tijdens de zomervakantie klaarde alles weer op en was hij een blakend gezond kind. Daarna werd hij in toenemende mate angstig, uiteindelijk dusdanig dat hij niet zonder een van zijn ouders naar school kon. Juf stond deze noodzakelijke begeleiding niet toe, waardoor ouders genoodzaakt waren een andere school te zoeken. Daar bloeide hij in eerste instantie op omdat de leerkracht geduld met hem had wanneer
hij bang of boos was, wat vaak zo was. Wel sprak ze hem er telkens op aan dat hij er óók voor kon kiezen om níet boos te worden. Hij was toen net vijf. Hij kreeg geen ander werk dan kleuterwerk. Na een halfjaar – hij ging inmiddels vier dagen naar school – raakte hij in toenemende mate
overprikkeld. Hij kreeg tics, moest om de haverklap plassen, werd steeds vaker woedend, legde zijn handen op zijn oren als er tegen hem gesproken werd en zei voortdurend ‘ik kan ook niks, ik moet maar dood’.
Tijdens de daarop volgende zomervakantie herstelde hij niet meer, en daarna was hij niet meer in staat om naar school te gaan. Een intelligentieonderzoek maakte duidelijk dat hij uitzonderlijk hoogbegaafd is. Tijdens de periode thuis ging het heel langzaam beter met hem, maar zijn lage zelfbeeld vertroebelt nog steeds zijn functioneren. Ouders kozen daarna voor particulier vernieuwend onderwijs, waar hij parttime naartoe gaat. Hij krijgt daar de ruimte om zichzelf te zijn en stappen te zetten, in zijn eigen tempo. Het lesaanbod is
nog steeds niet toereikend, waardoor echt herstel uitblijft en zijn toestand daardoor nog steeds kwetsbaar is.

Bron

Geef je reactie