De maatschappelijke oorzaken van depressie en burn-out

De maatschappelijke oorzaken van depressie en burn-out

Paul Verhaeghe (1955) is een Belgisch hoogleraar klinische psychologie en psychoanalyse. Hij hield onderstaande lezing van 1.5 uur over de maatschappelijke oorzaken van angst, depressie en burn-out. Hieronder vat ik de lezing kort samen. Het geeft je meer inzicht in hoe je omgeving je beïnvloedt en wat we momenteel hard nodig hebben.

What’s the problem?

Om te illustreren wat het probleem is waar we mee geconfronteerd worden, introduceert Verhaeghe de onderzoekers  en . Zij lieten zien dat een toenemende inkomensongelijkheid sterk correleert met de huidige verergering van psychosociale gezondheidsproblemen: meer zelfmoorden, een toename in het gebruik van antidepressiva, criminaliteit, uitval in het onderwijs etc. Om deze correlatie beter te begrijpen, kijken we naar het begrip identiteit.

De rol van identiteit

Je identiteit is veranderlijk en afhankelijk van de sociale omgeving. We kunnen dit begrijpen door te kijken naar kinderen die geadopteerd zijn. Wanneer een kind opgroeit in Volendam, ontwikkelt hij een compleet andere identiteit dan wanneer hij op zou groeien in India. Identiteit is dus sterk gekoppeld aan de omgeving.

Spiegelen is een veel onderzocht begrip uit de psychologie. Het blijkt dat we ons vanaf de geboorte continu spiegelen aan onze omgeving. Geleidelijk aan worden we – al spiegelende – ingeleid in het verhaal van onze familie en de  maatschappij. Dit spiegelen maakt dat we als mensen zoveel op elkaar lijken; de overeenkomsten zijn groter dan de verschillen. Tegelijk zien we dat de ‘spiegels’ over generaties heen veranderen; de interacties tussen mannen en vrouwen en de relatie met ons eigen lichaam zijn nu bijvoorbeeld anders t.o.v. eerdere generaties.

Tot slot is nog een laatste feitje omtrent identiteit van belang: onze genen bepalen de ‘biologische grond’  waarop we onze (sociale) identiteit bouwen. Die grond is sociaal; de mens behoort tot de sociale zoogdieren. De mens heeft anderen nodig – en daar gaat het mis. 

Het neoliberale model vormt onze identiteit

Zo rond de jaren ’80 leken we aanbeland in een ‘ideologievrije’ periode. Er kwam echter een nieuwe ideologie op die onze realiteit ging bepalen: het neoliberalisme (vrije marktwerking). Het idee dat we eilandjes zijn, die met elkaar concurreren, is werkelijkheid geworden. Vanuit het bedrijfsleven drong dit idee ook door in het onderwijssysteem. Kinderen ontwikkelen een neoliberale persoonlijkheid; ze groeien op tot een homo economicus – een ondernemer van zichzelf en een concurrent van degene naast hem. In het onderwijssysteem wordt bij kinderen van 5 jaar al gemeten of ze voldoen aan de norm. Sommige scholen schrijven in officiële stukken dat jongeren zich moeten beschouwen als een bedrijf en dat ze hun marktwaarde kunnen verhogen door nieuwe competenties aan te leren. De nieuwe ideologie berust op twee foutieve aannames over de mens:

  1. De mens is maakbaar. Het klopt inderdaad dat we sterk beïnvloed worden door onze omgeving, maar dat is wat anders dan de foutieve aanname dat we allemaal in staat zijn ‘perfectie’ te bereiken in werk en relaties. 
  2. De mens is hypercompetitief. Dat is maar half waar. Frans de Waal ontdekte twee gedragsclusters: we willen samenwerken (1) en we zijn egoïstisch (2). Afhankelijk van de omgeving is (1) of (2) actief. Het neoliberalisme stimuleert egoïsme en daardoor beginnen zelfs mensen die zich veel onder de mensen begeven, zich nu eenzaam te voelen. 

De homo economicus wenst anderen graag “succes”. Hij scheldt met het woord “loser” en wanneer zijn relatie stukloopt zegt hij dat… “hij misschien niet genoeg in de relatie heeft geïnvesteerd“. Ons taalgebruik weerspiegelt hoe het neoliberale model onze identiteit vormt.

Ongelijkheid doet pijn

Competitie zorgt natuurlijk onvermijdelijk voor ‘winnaars’ en ‘verliezers’. We beschikken over een aangeboren reactie t.o.v. ongelijkheid en onrecht, zo blijkt uit de fairness study van Frans de Waal. Het aapje links krijgt een mindere beloning (komkommer) dan het aapje rechts (een druif).

Ongelijkheid roept spontaan woede en frustratie op, zo zien we in het filmpje.

Uit een latere studie blijkt dat wanneer een aap de keuze krijgt tussen zichzelf een druif geven of zichzelf en een andere aap een druif geven, hij in 70% van de gevallen voor de laatste optie kiest. Onze natuurlijke neiging is niet een egoïstische. 

In hoeverre is onze maatschappij ziekmakend?

We zien dat de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek te lijden heeft onder de concurrentie- en prestatiedruk. In sommige bedrijven worden de slechts presterende 10-20% jaarlijks ontslagen, wat leidt tot een grote werkdruk. De duw naar concurrentie maakt dat we de persoon naast ons zijn gaan wantrouwen, zij het onbewust.

En dan terug naar de ‘stoornissen’. We zien een sterke toename van angst en depressie. De oorzaak kunnen we in ieder geval voor een groot deel vinden in wat ons huidige beeld is van de ‘ideale mens’: een manager van zichzelf, die zich goed kan verkopen en het al concurrerende op eigen kracht gemaakt heeft; hij die aan de maakbaarheid wist te beantwoorden. Die maakbaarheid is een illusie.

In een wedstrijd zijn er altijd winners en verliezers. De ‘verliezers’ krijgen zo nu en dan een stoornis opgespeld. Ze zijn angstig (dat ze het allemaal niet aankunnen), depressief (omdat ze ‘faalden’) of burn-out. Laten we dit laatste fenomeen nog kort bekijken.

Burn-out als maatschappelijk probleem

Iemand met een burn-out is bijna altijd iemand die met hart en ziel voor zijn werk gaat; iemand die werk beschouwt als een activiteit die zin geeft aan het leven.

Aangezien we in een context van concurrentie anderen niet kunnen vertrouwen, zijn we alles en iedereen gaan meten. Met regelgeving en functioneringsgesprekken ontstaat een ‘cultuur van controle’. De idealist moet nu het boekje volgen en verliest haar autonomie. De idealist wordt zelfs gestraft wanneer ze van het boekje afwijkt, ondanks alle goede bedoelingen. In plaats van waardering krijgt ze al gauw te horen hoe ze haar output nog zou kunnen vergroten. Als sociaal dier doet het gebrek aan waardering pijn.

Burn-out is duidelijk onderdeel van een bredere problematiek. We moeten bottom-up gaan bouwen aan en zoeken naar verbinding in groepen. De huidige protocollaire behandeling burn-out is gericht op een snelle, efficiënte klachtenreductie en lijkt niet goed te beantwoorden aan de kern van het probleem. Over deze thematiek zal ik de komende maanden mijn masterscriptie schrijven, op zoek naar oplossingen!

Geef je reactie